|
VENTILATIE
TIPS VOOR CORRECTE PLAATSBEPALING VENTILATIEROOSTERS
OPTIMALE VENTILATIE VAN LEEFRUIMTE VIA WERVELROOSTERS
Om te vermijden dat er tocht ontstaat, moet de lucht in een ruimte gelijkmatig verdeeld worden. De plaats waar een ventilatierooster komt, is hiervoor bepalend. In dit artikel leggen we u eerst kort het gedrag van lucht in een ruimte uit, waarna we overgaan naar hoe u in de praktijk correct de plaats van een ventilatierooster kunt bepalen om uw klant zo veel mogelijk comfort te bieden.
Door Paul De Schepper (Katholieke Hogeschool Kempen)
FUNCTIE
Een luchtrooster is niet enkel een decoratief element om een opening te verbergen, het is een wezenlijk onderdeel van een ventilatiesysteem. De belangrijkste taken van een luchtrooster zijn de volgende:
• Er zorg voor dragen dat er geen te hoge luchtsnelheden zijn in de verblijfsruimte;
• De lucht zo gelijkmatig mogelijk verdelen;
• Er zorg voor dragen dat de volledige ruimte doorspoeld wordt.
VERBLIJFSRUIMTE
Laten we eerst eens bekijken wat we verstaan onder de verblijfsruimte. Het woord zegt het zelf al: het is die ruimte waarin we verblijven. In deze ruimte moeten we zorgen voor een aangename en comfortabele omgeving en klimaat. De verblijfsruimte is een fictieve ruimte die zich bevindt op 0,5 m van de buiten- of binnenmuren en die reikt tot een hoogte van 1,8 m. In deze zone zullen we (bijna) al onze tijd doorbrengen. Een belangrijke comforteis is dat de snelheid in de verblijfszone max. 0,2 m/s mag bedragen. Dit is een belangrijk gegeven dat mee de keuze bepaalt van ons luchtrooster.
Coanda-effect
Om de lucht zo gelijkmatig mogelijk te verdelen in een particuliere woning maken we vaak gebruik van het coanda-effect (zie fig. 1). Dit coanda-effect is een verschijnsel waarbij de luchtstroom de neiging heeft om een oppervlak te volgen in plaats van de rechte lijn. De lucht blijft als het ware plakken aan het plafond. Wervelroosters maken gebruik van dit verschijnsel. Ze maken gebruik van het principe van mengventilatie, waarbij de lucht gemengd wordt met de reeds aanwezige lucht om zo een luchtbeweging op gang te brengen. Het zijn dus roosters die de lucht in een wervelbeweging in de ruimte brengen.
Ter hoogte van het rooster is de uitblaassnelheid hoog, maar naarmate de lucht zich verder van het rooster beweegt (langs het plafond – coanda-effect) zal deze snelheid dalen.
Optimale snelheid
Bedoeling is dat de snelheid tot onder de 0,2 m/s zakt bij het bereiken van de verblijfsruimte of comfortzone. Dit effect wordt gekararakteriseerd door de worplengte (zie figuur 2).
De worplengte wordt steeds uitgedrukt als l0,2. Dit is de afstand die nodig is om de snelheid van de luchtstroom terug te brengen naar 0,2 m/s.
Een wervelrooster wordt steeds aangesloten via een plenum aan het kanalensysteem. Een plenum is een soort van box waarin de lucht, die uit de kanalen stroomt met toch een snelheid van 4 à 5 m/s, een plotse expansie kent, waardoor de snelheid enorm vermindert en er een drukopbouw kan gebeuren, waardoor de lucht uit het rooster kan stromen.
De derde eis heeft meer te maken met de opstelling van het rooster: plaats een rooster nooit in een hoek of vlak voor een obstakel, omdat op dat moment het kleefeffect of coanda-effect wordt verbroken en de luchtstroom toch naar beneden zakt met vaak tocht tot gevolg of het niet volledig doorstromen van de ruimte met lucht.
drukverlies berekenen
Zeker zo belangrijk bij de keuze van een luchtrooster zijn de selectietabellen (zie figuur 3). We merken op dat de tabellen snel terug te vinden zijn voor industriële installaties (lees: voor kantoorgebouwen), maar dat die minder snel terug te vinden zijn voor woningventilatie.
Té vaak zal de installateur zijn ventilator of warmterecuperatie-eenheid selecteren aan de hand van het debiet. Uiteraard is het debiet een belangrijke factor, maar zeker zo belangrijk is welke druk deze ventilator nog kan leveren bij dit debiet. Een ventilator is immers niet echt gemaakt om hoge drukken te leveren, terwijl hoge debieten aanvoeren eigenlijk een koud kunstje is. Vrij vaak zult u in woningventilatie over moeten stappen naar een model dat groter is qua debiet om toch nog voldoende druk te halen. Een typische opvoerdruk voor woonhuisventilatoren is een 150 Pa bij 300 m³/h. Tracht echter uw drukverlies te beperken tot maximaal 100 Pa, op deze manier zal uw klant lang kunnen genieten van zijn ventilatiegroep.
Laten we eens een voorbeeld bekijken: voor een slaapkamer (afmetingen 4 x 4 m) zijn we op zoek naar een wervelrooster. Volgens de norm hebben we voor dit lokaal een debiet nodig van 3,6 m³/h/m² x 16 m² = 58 m³/h.
Voorbeeld
Als voorbeeld nemen we de selectietabel in figuur 3 op de vorige pagina. Wat kunnen wij nu uit deze grafiek aflezen?
Vooreerst de drukval die dit rooster veroorzaakt. Deze drukval kunnen we aflezen uit het snijpunt van het debiet (57 m³/h) en de diameter (125 mm), namelijk bijna 4 Pa.
Stel echter dat u zou werken met een diameter van 100 mm, dan stijgt deze drukval dramatisch tot bijna 10 Pa, wat een verdubbeling betekent van de drukval.
Onderaan lezen we af wat de worplengte is waar de luchtstroom een luchtsnelheid heeft van 0,25 m/s (l0,25). Die bedraagt hier 0,75 m. Deze worplengte geldt voor plafondroosters of wand roosters voor zover die op max. 300 mm van het plafond zijn gemonteerd. Om een goede luchtverdeling in de leefzone te bereiken, dient min. 75% van de lengte van de ruimte door de worp bereikt te worden. In ons voorbeeld is dit rooster dus minder geschikt, aangezien 75% van 4 m toch een worplengte betekent van 3 m.
Dit betekent dat er soms twee of meerdere roosters in eenzelfde lokaal moeten komen. Een drukverliesberekening van de kanalen is dus een must.
Drukverlies
Het totale drukverlies is de som van de verliezen in de kanalen en de plaatselijke verliezen zoals bochten, aftakkingen en luchtroosters. Zorg er dus voor dat die totale drukverliezen niet hoger zijn dan de opvoerdruk die de ventilator kan leveren. Anders zal de lucht niet tot de laatste rooster(s) komen met als gevolg dat die ruimte niet doorstroomd wordt met lucht. In Nederland heeft men onlangs kunnen vaststellen welke schadelijke gevolgen dat kan hebben. Maak zelf deze berekeningen of laat ze door iemand uitvoeren, maar zorg voor een goed uitgebalanceerd systeem.
Luchtstroming
Ventilatie is enkel maar mogelijk als er een luchtstroming kan plaatsvinden. Denk hierbij aan het openzetten van een raam: als u enkel het raam openzet en de deur blijft potdicht, zal er amper een luchtbeweging op gang komen. Door het openen van bv. een deur komt er plots wel (zij het een grote) luchtbeweging op gang.
Het principe van ventilatie is luchtaanvoer en luchtafvoer in eenzelfde ruimte. Aangezien bij particuliere woningbouw de ruimtes vrij klein zijn, wordt als afvoeropening (of als toevoeropening in de natte ruimtes) een doorstroomopening toegelaten. Dat is een opening in de deur of onder de deur, waardoor er een luchtbeweging op gang kan komen. De plaats van het rooster moet zodanig zijn dat er een luchtbeweging komt, zorg er daarom voor dat elke rooster 30 à 40 cm van een muur verwijderd is, anders ontstaan er wervelingen in de hoek van deze ruimte met stof- en vuilafzetting tot gevolg.
Onthou ook dat een ventilatierooster geen afzuigsysteem is zoals een dampkap. Het heeft echt geen zin om dit rooster vlak boven een douche te plaatsen: dit is zelfs af te raden, omdat anders al het vuil en vocht in de kanalen terechtkomt en dat zeer moeilijk te verwijderen is.
Aanbevelingen
Een aantal algemene aanbevelingen voor kanalen en roosters:
• Zorg voor een afstand van minstens 2 m tussen inblaas- en afzuigopening;
• Zorg ervoor dat de inblaas zich op minstens 30 cm van een wand of plafond bevindt, dit om vervuiling tegen te gaan (zie figuur 4);
• Tracht het debiet door een toevoerrooster te beperken tot 50 m³/h;
• Tracht het debiet door een afzuigrooster te beperken tot 75 m³/h;
• Sluit het afzuigsysteem van uw dampkap niet op het ventilatiesysteem aan;
• Zorg voor een doorstroomopening in de deuren.
Het belangrijkste daarbij is het luchtzijdig inregelen. Bezorg uw klant een duidelijk inregelrapport met daarin:
• De stand van de ventilator;
• De luchthoeveelheden in iedere stand;
• Instelgegevens van ventilator en roosters;
• Zorg voor een borging van de toe- en afvoervoorzieningen na het inregelen.
|